Onderzoeksnieuws juli 2020

Natuurjaar 2020- 17, Zomer in Natuurtuin De Robbert

2020.08.08.1LOGO

Vandaag: Bonte spechten en nieuwste wantsensoorten in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-07-25), Vanmorgen als ik door de woonwijk fiets merk ik het al, het is vakantie tijd. Het lijkt wel dat alles in ruste is, weinig verkeerslawaai en menselijke geluiden. Als ik de Natuurtuin binnenloop en mijn fiets plaats bij de Klimop wand bij de beuk zie ik Stan al bezig met het monitoren van de bloeiende planten in de ‘natte’ ondiepe poel. 

 

Grote bonte specht (Dendrocopos major)
Grote bonte specht (Dendrocopos major)

Dan horen we spechten ‘tikgeluiden’ boven ons in de Beuk en rechts in de dode elzenboom zien we twee Bonte spechten zitten. Als ik de vogelkijker pak zie ik dat het er twee zijn, een ouder vogel en een jonge Grote Bonte. Dat het een juveniel is, zie ik aan het rode petje boven op zijn kop. Dan komt er een derde Bont gekleurde specht aanvliegen en land op een tak. Deze is een tikkeltje kleiner constateren we -dat wordt interessant- welke spechtsoort zal het zijn? Turend door en langs de begroeide takken zie ik hem/haar zitten. Afwijkend verenkleed, geen Grote Bonte. Dan is de vogel beter zichtbaar, wijnrode stuit, licht gepikkelde borst en ‘witte wangen’ kop. De witte tekening op de vleugelschilden wijken af -dan die van de Grote bonte specht- die nog zichtbaar in de Els zit. We zetten nog even de kenmerken op een rij en concluderen dat het een Middelste bonte specht moet zijn. Uit de waarnemingen van het afgelopen jaar -blijkt dat deze nieuwkomer- ook is aan gevinkt in het gebied “De Bundertjes”.

Grote bonte vs. middelste bonte (specht). Lees het determinatie artikel, op de site van Vogelbescherming:

https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/grote-bonte-vs-middelste-bonte-specht

Juveniele vogels zien er vaak heel anders uit dan hun ouders. En sommige jongen lijken zelfs op andere soorten. Zoals bij de grote bonte specht: jongen van deze soort worden wel ‘uitgescholden’ voor middelste bonte specht.

Vogeltelronde LiveAtlas

Door deze ontdekking van de Middelste bonte specht in de Natuurtuin lopen we gelijk nog een vogeltelronde ‘Rechtsom’ en nemen ook de dagvlinders en libellen mee. We gaan en lopen linksom richting de bijenstal. We zien onderweg boven de grote poel nog enkele Gierzwaluwen rondvliegen. Ook twee Sperwers kruizen ons pad, lopen richting het kleine bosje bij de ingang van het terrein. Dan staan we stil bij het bankje van ‘Tineke’ en kijken richting de grote poel. We zien af en toe kleine ‘bruine’ vogeltjes, die van de ene oever naar de grote riet kraag vliegen. Met Regelmaat vliegen ze heen en weer. Met de vogelkijker zie ik nu dat ze insecten oppikken die tussen de hoge rietstengels zitten en ook vlakbij de waterlijn is een geliefde zoekplek. Het zijn Kleine karekieten die bijna geruisloos nu toch nog aanwezig zijn. Gezien het foeragerende gedrag kunnen we aannemen dat er jonge vogels in het riet aanwezig zijn.

Wantsen- en insectenonderzoek

Wanneer Stan de voorbereidingen treft om de Meidoorn op te ruimen zet ik het klopscherm in elkaar. Welke insecten soorten zijn er dit keer te ontdekken in de ‘groene’ tuin. In het begin klop ik de algemene soorten uit de struiken en van takken. Dan zie ik een rijtje varens staan langs het pad naar achteren. Leg het klopscherm op de grond en zover mogelijk onder de varens en klop voorzichtig de kwetsbare bladeren af en bekijk wat er aan kleine insecten zoal is gevallen op het ‘witte’doek. Dan zie ik een kleine wants kruipen van 2-3,1mm grootte, het is de:

Lichtkoppige varenblindwants
Lichtkoppige varenblindwants

Lichtkoppige varenblindwants Monalocoris filicis (Linnaeus, 1758). Onderfamilie Bryocorinae. Tribus Bryocorini. Genus Monalocoris.

Onderfamilie Bryocorinae: wereldwijd zijn er wel tweehonderd geslachten in deze onderfamilie. In Nederland hebben we twee tribus met zes geslachten.

Tribus Bryocorini: Twee soorten, Bryocoris pteridis en Monalocoris filicis, die beide in varens leven.

 Herkenning:

  • 2-3,1 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Antennesegment 1 en 2 zijn geelachtig, segment 2 met een donkere top. Segment 3 en 4 zijn donker. Segment 3 met een lichte basis. Segment 1 is korter dan de breedte van de kop.
  • Een bruine tot zwarte wants. Een fijne, lichte beharing. Ovaal van vorm.
  • De kop is goudbruin tot licht oranje.
  • Bruine tot donkerbruine voorvleugels. Clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) lichterbruin. Membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is bruinachtig.
  • Geelachtige poten.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa en van Azie tot in Japan (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: varenrijke omgeving als vochtige loof- en naaldbossen.

Ontwikkeling: de nieuwe generatie volwassen wantsen verschijnt vanaf eind juni. Een generatie per jaar.

Overwintering: __ als volwassen wants.

Voedsel: fytofaag. Vooral mannetjesvarens Dryopteris filix-mas en adelaarsvarens Pteridium aquilinum.

Even later iets verderop in het pad zie ik een grijsachtige insect met lange poten. Als ik een macrofoto maak van het insect is het ook een wants de:

Marmerspillebeen Phytocoris longipennis 
Marmerspillebeen Phytocoris longipennis 

Marmerspillebeen Phytocoris longipennis Flor, 1861

Genus Phytocoris : wantsen uit dit genus vallen op door de lange, vrij slanke achterdijen en het lange eerste antennesegment. Veel op elkaar lijkende soorten. Zoofytofaag.

Het genus Phytocoris kan in verschillende subgenera verdeeld worden. Op Waarneming vallen ze onder het subgenus Ktenocoris en subgenus Phytocoris.

 Subgenus Phytocoris (verwarrend door dezelfde naam): kleur is geelachtige grijs, bruinachtig tot groenachtig met onregelmatige zwartachtige of bruingrijze vlekken die samenvloeien. Zwarte antennes met bleke ringen. Langvleugelig (macropteer).

Herkenning:

  • 6,6-7,5 mm.
  • Langvleugelig.
  • Zwarte antennes. Antennesegment 1 met witte vlekken. Segment 2 bij de basis witachtig soms met een lichtgekleurde ring in het midden. Basis segment 3 is lichtgekleurd.
  • Een lichtgrijze, bruin en zwartachtig gevlekte wants. Liggende, lichtgekleurde, korte beharing, gemengd met half-rechtopstaande zwarte haren.
  • Alleen het halsschild (pronotum) is voor een groot deel egaal donkergekleurd, het bovenste deel is lichtgrijs met een smalle lichtgekleurde achterrand.
  • De lichtgrijze voorvleugels zijn bruin en zwartachtig gevlekt. Het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) heeft aan de achterkant een lichte vlek. De donkergevlekte cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) heeft een lichtgekleurde bovenrand. Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is kleurloos met grijze vlekken.
  • Antennesegment 1 is 1,5-1,67 maal zo lang als de breedte van de kop. Segment 2 is 2 maal zo lang als de breedte van het halsschild.
  • Witachtig gele poten. De dijen zijn bruin met zwartachtige vlekken. Schenen met lichtgekleurde en donkere banden. Van de middelste poten zijn de lichtgekleurde banden om de schenen breder dan de donkergekleurde.

Voorkomen: zeer algemeen in Nederland. Palaearctisch: Europa, Azie (Midden-Oosten, Centraal-Azie) (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: in bossen, houtwallen, boomgaarden, parken en tuinen op de takken en stam van loofbomen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van mei tot eind oktober. Een generatie per jaar. Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag. Veel soorten loofbomen. O.a. Appel Malus sp., beuk Fagus sylvatica , eik Quercus sp., els Alnus sp., es Fraxinus sp., esdoorn Acer sp., hazelaar Corylus avellana , meidoorn Crataegus sp., populier Populus sp., prunus Prunus sp., wilg Salix sp.

De volgende keer behandel ik nieuwe Wantsensoorten en insecten die afgelopen tijd gevonden zijn.

 

Vogel ‘bankschroef’
Vogel ‘bankschroef’

Vogel ‘bankschroef’

Tussendoor tijdens de klopronde zag ik de resten van een Hazelnoot geklemd in een dood stukhout. De Boomkruiper of een Bonte specht zet de noot vast om daarna de nootschil stuk te hakken.

Een morgen in de Natuurtuin en je ontdekt zoveel ‘specifieke aspecten’ van de natuur in en rondom je eigen leefomgeving.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar 2020- 16, Zomer in Natuurtuin De Robbert

2020.08.08.1LOGO

Vandaag: Nieuwe wantsensoorten in de Natuurtuin en Gierzwaluwen tellen .

Zaterdag (2020-07-18), Vanmorgen in het luchtruim boven de Natuurtuin Gierzwaluwen foerageren op insecten. Als we ernaar zitten te kijken met een kopje koffie zien we dat de groep groter wordt. Afzonderlijk van elkaar proberen we de sierlijk vliegende en manoeuvrerende vogels door elkaar vliegend te tellen. Dat valt niet mee omdat er steeds meer vogels bij komen op een grotere oppervlakte. Uiteindelijk delen we de aantallen door twee en schrijven 35 exx. op in de LiveAtlas tellijst.

tekening zwaluwen

Daarna hervatten we de telronde en lopen Linksom en tellen ook gelijk de dagvlinders die levendige rond vliegen door de oplopende temperatuur. Hoe tel je een grote groep vogels? Neem een groepje van bv 5 0f 10 vogels in gedachte en pas deze af op de hoeveelheid van een groep vliegende of zittende vogels, naar mate de groep groter is verhoog de basis aantallen naar bv 25 of 50 exx.. Door oefening zul je zien dat het werkt. Probeer een telling boven het luchtruim van je tuin of balkon. Je hebt nog twee weken de kans om Gierzwaluwen te tellen, eind juli vertrekken ze -van de ene op de andere dag- richting Zuid- Europa eindstation Afrika.

Wantsenonderzoek.

Afgelopen week zijn alle wantsen vangsten vanaf augustus 2009 tot heden juli 2020 gevalideerd door de wantsenspecialist van waarneming, de medewerker is ook verbonden aan EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Op de totaal wantsenlijst van de Natuurtuin ‘De Robbert’ staan nu 102 soorten. De teller voor dit jaar tot 19 juli 2020 staat op 80 wantsensoorten.

 Op 20200625 heb ik een nieuwe wantsensoorten gevangen in de Natuurtuin. Dit is de nieuwe aanwinst de:

Pijpenstrootjecapsus Capsus pilifer 
Pijpenstrootjecapsus Capsus pilifer 

Pijpenstrootjecapsus Capsus pilifer (Remane, 1950)

Onderfamilie Mirinae. Tribus Mirini. Genus Capsus. Capsus -soorten zijn grotendeels zwart en ovaalvormig (het mannetje is iets langwerpiger). Antennesegmenten 3 en 4 zijn veel dunner dan segment 2.

Herkenning:

  • 5-5,8 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennen. Segment 2 is aan het eind verdikt (maar minder dan bij C. ater). Segment 3 is bij de basis licht.
  • Een geheel zwarte wants.
  • Zwarte poten. Schenen met ongeveer bij de basis (knie) een lichte ring (slecht zichtbaar).

Gelijkende soorten:

Capsus pilifer lijkt op Capsus ater. (Belgie: Capsus ater )

Verschillen:

  • Capsus pilifer : antennesegment 2 is aan het eind verdikt (maar minder dan bij C. ater ). Capsus ater : antennesegment 2 is aan het eind sterk verdikt (dubbel zo dik).
  • Capsus pilifer : een geheel zwarte wants. Capsus ater : kop en halsschild (pronotum) zijn zwart, maar kunnen bij de vrouwtjes ook roodachtig bruin zijn.
  • Capsus pilifer : monofaag op pijpenstrootje ( Molinia caerulea ). Capsus ater : allerlei grassoorten.
  • Capsus pilifer : zwarte poten. Schenen met ongeveer bij de basis (knie) een lichte ring (slecht zichtbaar). Capsus wagneri : zwarte poten. Schenen met ongeveer in het midden een lichte ring. Poten soms roodachtig behalve het onderste stukje van de schenen en de tarsi (voeten). Geheel zwarte poten zijn ook mogelijk.
  • Capsus pilifer : monofaag: Pijpenstrootje ( Molinia caerulea ). Capsus wagneri : hoge grassoorten.

Voorkomen: in Nederland een zeldzame oostelijke soort. Palearctisch: Europa, Azie (Centraal-Azie, Siberie, China, Korea, Japan). (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: min of meer vochtige vergraste heideterreinen en bosranden.

Ontwikkeling: volwassen wantsen vanaf begin juni tot midden augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: monofaag op pijpenstrootje ( Molinia caerulea ).

 Een andere nieuwe wants die ik op 20200706 aantrof in de Natuurtuin is de:

Sporkehoutschaduwwants Apolygus rhamnicola
Sporkehoutschaduwwants Apolygus rhamnicola

Sporkehoutschaduwwants Apolygus rhamnicola (Reuter, 1885) is een wants uit de familie van de blindwantsen (miridae). De soort werd het eerst wetenschappelijk beschreven door Reuter in 1885.

Herkenning:

  • 5,4-6 mm.
  • De ovale wants is Langvleugelig (macropteer).
  • Geelachtig roodbruine antennen. Antennesegment 2 is distaal zwart, segmenten 3 en 4 zijn donker.
  • Een glanzend roodbruine wants met een fijne lichte beharing.
  • Schildje (scutellum) soms wat geelachtig.
  • Van de voorvleugels is de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) ook roodbruin (bij het binnenhoekpunt vaak donker). Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is bruinachtig met lichte aders.
  • Geelachtig roodbruine poten.

Gelijkende soorten:

Beschijving van de andere Apolygus -soorten.

Voorkomen: in Nederland gewoon, niet langs de kust, op de waddeneilanden en in Flevoland. Europa (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen.

Ontwikkeling: volwassen wantsen vanaf eind mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: De soort overwintert als eitje en kan van mei tot september gevonden worden op sporkehout (Rhamnus frangula). Er is een enkele generatie per jaar.

Voedsel: fytofaag: Sporkehout ( Rhamnus frangula ).

Op dit moment zitten we midden in het top-seizoen van het wantsen onderzoek. Vandaag zaterdag 202007018 opzoek met klopscherm, zoeken door en rondom de Natuurtuin. Het leverde 7 nieuwe wantsensoorten op:

Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum (Herrich-Schaeffer, 1838)

Kleefkruidgraafwants Legnotus limbosus (Geoffroy, 1785)

Populierenblindwants Sthenarus rotermundi (Scholtz, 1847)

Mijtenblindwants Compsidolon salicellum (Herrich-Schäffer, 1841)

Snuitkeverschildwants Arma custos (Fabricius, 1794)

Gewone mierwants Pilophorus perplexus Douglas & Scott, 1875

Cardiastethus fasciiventris (Garbiglietti, 1869)

 Een drie tal soorten van deze bovenstaande soorten plaats ik in deze nieuwsbrief. De opvallendste in dit rijtje is de:

Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum 
Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum 

Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum een netwants.

Netwantsen zijn fraaie wantsen die makkelijk te herkennen zijn aan hun netvormige aderpatroon. Het zijn daarnaast de enige wantsen, waarbij het schildje geheel bedekt wordt door het halsschild, waarbij het laatste naar achteren verlengd is en ongeveer een derde tot de helft van het achterlijf bedekt. Bij sommige soorten (vooral Agramma laetum ) is de aderstructuur heel dicht en de cellen heel klein, waardoor ze bij lage vergroting niet opvallen. Piesmatidae vertonen een vergelijkbare structuur van aders en cellen, maar zijn makkelijk van netwantsen te onderscheiden, doordat het halsschild niet naar achteren toe verlengd is en het scutellum vrijlaat.

Netwantsen zijn fytofaag en leven van plantensap, dat ze met hun zuigsnuit uit planten zuigen. Een deel van de soorten leeft van mossen (bijvoorbeeld Acalypta ), maar het merendeel van vaatplanten. Sommige soorten zijn sterk afhankelijk van een plantensoort (bijvoorbeeld Dictyla humuli op smeerwortel) of een familie ( Physatocheila confinis & dumetorum op Rosaceae ), terwijl anderen van een breed scala aan planten leven.

Physatocheila dumetorum is vanaf een foto moeilijk te onderscheiden van een Physatocheila confinis.

Herkenning

2,8-3,0 mm. De soorten van het geslacht Physatocheila zijn te herkennen aan de brede omgeslagen randvelden van het halsschild. De drie lijsten op het borststuk lopen door tot aan de voorrand van het borststuk; bij het oppervlakkig gelijkende geslacht Dictyla lopen de twee buitenste lijsten maar tot halverwege. Het soortenpaar confinis & dumetorum onderscheidt zich van de andere twee soorten van het geslacht Physatocheila door het randveld van de vleugels, dat maar twee rijen dik is (drie of meer bij costata en smreczynskii ). Het onderscheid tussen confinis en dumetorum is in West-Europa problematisch.

Voorkomen

Zeldzaam in de zuidelijke helft van Nederland met enkele waarnemingen meer noordelijk in Noord-Holland (ook op Texel).

Biotoop

Leeft op bomen uit de familie Rosaceae , o.a. meidoorn. Heeft mogelijk een voorkeur voor bomen begroeid met korstmossen.

Fenologie adult

Adulten zijn het gehele jaar te vinden en zijn in Nederland waargenomen van april tot oktober.

Bronnen:

Tekst overgenomen uit: Soortzoeker Netwantsen Nederland, Naturalis Biodiversity Center.

Populierenblindwants Sthenarus rotermund
Populierenblindwants Sthenarus rotermund

Populierenblindwants Sthenarus rotermundi (Scholtz, 1847)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Phylinae. Tribus Phylini. Genus Sthenarus.

Herkenning:

  • 3,4-4,2 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Lichtgele antennes.
  • Een witachtig of geelachtig grijze wants. Met zilverkleurige lange haren samen met witachtige haren. Ovaal van vorm.
  • De voorvleugels met op het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) donkere lengtestrepen. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is vaak rood met witachtige randen.
  • Geelachtige poten. Dijen en schenen vaak gedeeltelijk rood. Op de schenen zwarte stippen met daarop stekels.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie: Midden- Oosten, Kaukasus. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: houtwallen, parken en tuinen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van midden mei tot eind augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag. __ Witte abeel Populus alba , grauwe abeel Populus x canescens , ratelpopulier Populus tremula.

De volgende keer behandel ik de andere nieuwe Wantsensoorten die afgelopen zaterdag gevonden zijn.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar- 15, Zomer in Natuurtuin De Robbert.

2020.08.08.1LOGO

Vandaag: Vogels, Vlinders en Libellen tellen met vernieuwde LiveAtlas App, en Bladvlooien.

Zaterdag (2020-07-11), Vanmorgen als ik bij de Natuurtuin aankom is Stan al bezig met het knippen van de heg nabij de ingang. Als ik de fiets neerzet bij de werkschuur, komt Kees aangelopen met een boekwerkje. Het is een Bedankboekje van de kinderen -klas 4 van de Vrije School- n.a.v. de natuur morgen van afgelopen woensdag in de Natuurtuin. Zie dat de verschillende verhalen die verteld zijn kleurrijk opgetekend staan in het boekje. Het doet wat met me, als ik zie hoe alle kinderen hun natuurbeleving van die morgen hebben uitgedrukt in een tekening. 

Bijvoorbeeld het verhaal van de Wilde Lijsterbes Sorbus aucuparia dat ik aan de kinderen heb verteld. Door de toenemende opwarming van de aarde reageren planten, struiken en bomen op te hoge temperatuur voor leefomstandigheden. Op den duur kan dit nadelig uitwerken voor de plantensoorten, wordt ook wel “Hittestress” genoemd.

Alle tekeningen die in het boekje staan krijgen een ere-plekje op de website van de Natuurtuin De Robbert onder het hoofdstuk En, hoe was het?

Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)
Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)
kindertekening vrije school helmond
kindertekening vrije school helmond

Vanmorgen in de vroege ochtend heb ik eerst enkele foto’s genomen -o.a. bovenstaande Lijsterbes- in de Natuurtuin. Daarna heb ik de vernieuwde App van de LiveAtlas uitgeprobeerd – In de tellijst zijn nu ook de Dagvlinders en Libellen- toegevoegd. Je komt ogen, oren en een hand te kort als je alles wil bijhouden en verwerken wat in je omgeving zit en fluit. Natuurlijk is het ook een stukje gewenning, maar als het top druk is -met een vogel en insecten piek- dan moet je keuzes maken. Uiteindelijk is het een ‘vogel’tel App dus …. je kiest automatisch eerst voor de Vogelsoorten en aantallen. Na een uurtje tellen zijn er; 18 vogelsoorten, 10 dagvlinders en 4 Libellen geteld. Door regelmatig te tellen in de Natuurtuin zie je wat het aantal en soorten en verloop is, in de seizoenen van het Jaar.

Rond een uur of tien warmt het goed op en de zon schijnt volop. Ondertussen is de dauw op het groene struweel opgedroogd en kan het insectenonderzoek met klopscherm beginnen. Een veel voorkomende wants nu in het zomerseizoen is de: Zwartknieblindwants, kom deze tegen op de Els. Heb wel eens een foto van een nimf/larve laten zien in deze rubriek.

Zwartknieblindwants (Blepharidopterus angulatus)
Zwartknieblindwants (Blepharidopterus angulatus)

Zwartknieblindwants Blepharidopterus angulatus (Fallén, 1807). Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

**Onderfamilie Orthotylinae. Tribus Orthotylini. Genus Blepharidopterus.

Let op de ‘zwarte’ knie gewrichten.

Herkenning:

  • 4,8-5,9 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Geelbruine antennen. Segment 2 met bij de basis en top een donkere ring. Segmenten 3 en 4 donkerder.
  • Een groene of blauwgroene wants met zwarte haartjes. Langwerpig van vorm.
  • Groen halsschild (pronotum) met een zwarte achterrand bij de hoekpunten.
  • Groene voorvleugels met een zwarte streep aan de binnenkant en een zwarte streep tussen de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) en het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel). Het membraan is kleurloos met twee donkerder vlekken.
  • Groene poten met zwarte bovenkant van de schenen ('knieen'). Schenen met stekels.

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Palearctisch: Europa, Noord- Afrika, Azie tot in het Verre Oosten. Na versleping in Noord-Amerika (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen, boomgaarden, parken, tuinen. Op loofbomen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van mei tot in oktober. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag: Sap uit loofbomen als appel ( Malus sp.), berk ( Betula sp.), els ( Alnus sp.), hazelaar ( Corylus avellana ). Maar ook spintmijten (Teranychidae), bladluizen (Aphidoidea en bladvlooien (Psylloidea).

Appelsprietwants - Atractotomus mali
Appelsprietwants - Atractotomus mali

Appelsprietwants Atractotomus mali (Meyer-Dür, 1843)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Phylinae. Tribus Phylini. Genus Atractotomus.

Genus Atractotomus : zwarte of zwartbruine wantsen met schubachtige gouden of zilveren haren. Antennesegment 2 is bij de vrouwtjes verdikt. Soorten, die veel op elkaar lijken.

Herkenning:

  • 3-3,6 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • De antennesegmenten 1 en 2 zijn zwart. Segment 1 is dunner bij de basis. Segmenten 3 en 4 zijn witachtig en dun. Segment 2 is spoelvormig verdikt (man, vrouw), bij het vrouwtje wat sterker verdikt.
  • Een zwarte of zwartbruine (zelden roodachtige (net uitgeslopen)) wants. Glanzende, geelachtige, schubachtige haren met daartussen zwarte haren. Langwerpig ovaal of ovaal van vorm.
  • Aders op het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) zijn meestal witachtig.
  • Zwartbruine dijen en geelbruine, grijswitte schenen met zwarte stekels, maar zonder zwarte vlekjes.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie (het Midden- Oosten). Na versleping in Noord-Amerika. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: boomgaarden, bosranden houtwallen, parken en tuinen op houtige Rosaceae.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van eind mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag: houtige Rosaceae. Vooral appel ( Malis sp. ) en meidoorn ( Crataegus sp.). Incidenteel op braam, peer, prunus en roos. Naast sap ook honingdauw, insecten als bladluizen (Aphidoidea) en rupsjes van lichtmotten (Pyralidae) en mijten (Acari).

BLADVLOOIEN (Psylloidea).

Even na Twaalven in de middag zie ik op het ‘witte doek’ een groen insect zitten. Als ik goed kijk is het geen wants maar een Elzenbladvlo. Verwant aan Bladluizen zijn Bladvlooien, Witte vliegen (Aleyrodidae) en Wol-, Dop- en Schildluizen (Coccidae). In totaal komen van deze insecten van deze insectenfamilies 124 soorten in Nederland voor

Elzenbladvlo Psylla alni
Elzenbladvlo Psylla alni

Elzenbladvlo Psylla alni

De bladvlooien (Psyllidae) vormen een familie uit de ordeder halfvleugeligen (Hemiptera).

Kenmerken:

Deze insecten hebben 2 paar ovale vleugels, die in rust dakpansgewijs op het achterlijf worden gevouwen. Ze hebben meestal een groene of bruine kleur. De lichaamslengte varieert van 1,5 tot 5 mm.

Leefwijze:

Het voedsel van dit dier bestaat in hoofdzaak uit plantaardige kost. Ze kunnen heel goed springen dankzij hun lange voorpoten, maar vliegen kunnen ze ook. Ze gebruiken meestal maar één waardplant. Ze scheiden, net zoals bladluizen, honingdauw af, die ze in was verpakken.

Voortplanting:

De gesteelde eieren worden in de voedselplant afgezet.

Verspreiding en leefgebied:

Deze familie komt wereldwijd voor op stengels, bladen en bast van kruiden, struiken, bomen en landbouwgewassen.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar Tussendoortje-7, Zomer in Natuurtuin De Robbert

2020.08.08.1LOGO

Insecten wereld -Wantsen en Sprinkhanen- in de Natuurtuin.

maandag (2020-07-06), Vanmiddag even voor enen naar de Natuurtuin, Op zoek naar insecten met het klopscherm. Als ik de ‘groene’tuin binnen stap en mijn fiets wegzet is het gras door Stan al gemaaid en bijeen geharkt. Dan laat Stan me een rups zien -wit/zwart gekleurd met gele stippen- zat op het Helmkruid. We lopen even naar de plant het Helmkruid (Scrophularia) en ik maak een foto. Het is voor mij de eerste waarneming van deze opvallende kleurrijke Nachtvlinderrups (1). Evenlater tijdens het de onderzoeksronde zie ik een Micromus variegatus op het ‘witte doek’ het is een Gaasvliegsoort (2).

rups Helmkruidvlinder Cucullia scrophulariae
rups Helmkruidvlinder Cucullia scrophulariae

1-Helmkruidvlinder Cucullia scrophulariae (Denis & Schiffermüller, 1775)

De helmkruidvlinder is een nachtvlinder uit de familie van de nachtuiltjes. De spanwijdte bedraagt tussen de 44 en 50 millimeter. De halskraag van de vlinder is behaard, waardoor het lijkt of de vlinder een kapje op heeft. De vlinder vliegt van half mei tot half juli. Per jaar komt één generatie voor. Het verspreidingsgebied beslaat heel Nederland, maar de vlinder komt vooral voor op de zandgronden van Gelderland en de Utrechtse heuvelrug langs bosranden, open plekken in het bos en soms bermen. De voorvleugels zijn licht roodachtig bruin, aan de voorrand bruin en aan de achterrand witachtig. De eitjes worden afgezet op bloemknoppen en bloemen. De tot 50 mm lange rupsen zijn vanaf half juni tot half augustus te vinden. De rups is bleek blauwachtig grijs of witachtig groen met op elk segment drie gele ringen en zwarte vlekjes. De rupsen vreten aan de bloemknoppen, bloemen en onrijpe vruchten en pas als deze niet meer voorhanden zijn wordt aan de bladeren gevreten. Ze verpoppen zich op de grond in een dikwandige cocon. De poppen kunnen meerdere winters overwinteren. De rupsen hebben als waardplanten helmkruidachtigen zoals gevleugeld helmkruid, knopig helmkruid en melige toorts. (W)

Micromus variegatus 
Micromus variegatus 

2-Micromus variegatus (Fabricius, 1793)

Micromus variegatus is een insect uit de familie van de bruine gaasvliegen (Hemerobiidae), die tot de orde netvleugeligen (Neuroptera) behoort. Ongeveer 20 soorten komen voor in België en Nederland. De soort komt voor in een groot deel van het Palearctisch gebied. De soort is in 1988 ook voor het eerst aangetroffen in Canada en werd elders in Canada in 2009 opnieuw aangetroffen. Het betreft vermoedelijk adventieven. Micromus variegatus is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Fabricius in 1793. (W)

Tijdens het zoeken naar insecten zie ik vele verschillende kleine nog niet volgroeiende wantsen vallen op het klopscherm. Deze larven/nimfen vervellen 4 á 5 keer voordat ze volwassen zijn. Hieronder heb ik 3 wantsensoorten naast elkaar op een rij gezet. Kijk hoe fragiel ze zijn, die pootjes en antennes. De zomer is in volle gang met al dat jonge grut, er valt nog veel te ontdekken in de ‘Groene’Tuin.

Zuringrandwants (Coreus marginatus)
Zuringrandwants (Coreus marginatus)
Smalle randwants (Gonocerus acuteangulatus)
Smalle randwants (Gonocerus acuteangulatus)
Grauwe veldwants (Rhaphigaster nebulosa)
Grauwe veldwants (Rhaphigaster nebulosa)

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Natuurjaar- 14, Zomer in Natuurtuin De Robbert

logo natuurtuin

Vandaag: Vogels- en Vlindertuintelling 2020

Zaterdag (2020-07-04), Vanmorgen als de temperatuur nog beneden de 17 graden C is, eerst een LiveAtlas telling uitgevoerd. Alle vogels die je ziet en hoort zingen in, om en boven de Natuurtuin tellen we. Boven ons zien we eerst één Gierzwaluw rondvliegen. Even later als we 25 meter doorgelopen zijn kom er nog acht Gierzwaluwen aanvliegen. Vraag Stan waar is het Zuiden?, en hij geeft me de richting aan “die kant op’ dan zwenkt hij met zijn linkerarm. Nu de jonge vogels zijn uitgevlogen en bijna zelfstandig zijn, gaan de oude vogels samen op trek, richting het Zuiden De lange reis is begonnen -even later nog een clubje van zes vogels- allemaal vliegen ze dezelfde kant op, zwierend en draaiend op de windstromen, richting Zuid.

Als ik het telrondje gelopen heb en de telling afsluit, kijk ik nog even rond de tuin in. Onder tussen komt Wil ook binnen vallen en samen loopt hij met Stan de tuin in. Dan zie ik opeens een ‘biddende’ vogel van ca. 10-12 cm groot -stilstaan in de vlucht- speuren boven het natte kleine poeltje. Als ik mijn fotocamera met telelens gepakt heb en door de zoeker kijk, schiet hij/zij als een pijl uit de boog snel naar links, zie van hem/haar nog net de turquoise blauw gekleurde rug partij. Dat kan maar een vogel zijn die zo mooi gekleurd is, het is de:

IJsvogel Alcedo atthis
IJsvogel Alcedo atthis

IJsvogel Alcedo atthis (Linnaeus, 1758) IJsvogels zijn met hun blauwe en oranje kleuren een van onze meest opvallende en kleurrijke vogels. Toch worden ze vaak eerst ontdekt op hun geluid en kan het vaak een tijd duren voordat men ze te zien krijgt. Ze zijn vaak rusteloos en vliegen vaak direct weg als men te dicht in de buurt komt. Veel meer dan een blauwe flits die laag over het water vliegt, zal men dan niet zien. Om ze wat langduriger te zien te krijgen, loont het vaak om overhangende takken met een verrekijker af te speuren op een plek waarvan men weet dat er ijsvogels voorkomen. IJsvogels broeden in steile wanden, bijvoorbeeld in het met zand omgeven wortselstelsel van een omgevallen boom. Ze graven een lange nestgang in deze wand (vaak tot wel 1 meter lang).

Vandaag is de 12e Landelijke Tuinvlindertelling gestart, van: 4 t/m 26 juli 2020. Tel de vlinders die je ziet in jou tuin, doorgeven via de link:

https://www.vlinderstichting.nl/vlindermee/app-vlinder-mee

Download die handige vlindertel-apps. Help de Vlinderstichting! Je mag zo veel tellingen invoeren als je wil. Vind je het leuk om in een andere tuin te tellen? Maak dan een nieuwe tuin aan.

Deze vlindersoorten zagen wij vanmorgen in de Natuurtuin, morgen kan het door het weer, weer anders zijn. Welke soorten zie jij in je tuin??

Bont zandoogje (Pararge aegeria)
Bont zandoogje (Pararge aegeria)
Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus)
Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus)
Koevinkje (Aphantopus hyperantus)
koevinkje (Aphantopus hyperantus)

In september 2015 is er een nieuwe vlinder in Nederland bijgekomen. Het eerste Scheefbloemwitje Pieris mannii werd bij het Fort Sint Pieter bij Maastricht waargenomen door Pieter Vantieghem. Een nieuwe dagvlindersoort voor Nederland. Aan welke kenmerken herken je dit nieuwe witje:

Scheefbloemwitje (Pieris mannii)
scheefbloemwitje (Pieris mannii)

Het Scheefbloemwitje is in Helmond en Helmond - Mierlo-Hout (Noord-Brabant) al waargenomen. Op welke lokatie zit de bijna witte vlinder nu nog meer? Voer m’n in op waarneming.nl dit jaar van april t/m juni zijn al zes waarnemingen ingevoerd. Succes met vlinderen in je “groene’ tuin of berm.

 

Uil onbekend
Uil onbekend
Braakbal
Braakbal

Onlangs is een (jonge) Kerk- of Bosuil gesignaleerd in de Natuurtuin. Eind 2019 is al eens een paartje Bosuil Strix aluco vastgelegd door de opname van hun roep. Vanmorgen stonden we nabij de ‘plaats van het delict’ na te praten welke soort Uil het nu is. Toen mijn ‘oog viel’ op een braakbal die bovenop een stobbe zie (bovenstaande foto) door een vogel is neergelegd, de vraag is nu van welke (Uilen)soort is deze braakbal?

Op de onderstaande braakballenposter zou je zeggen -qua vorm en grootte van de braakbal- Steenuil Athene noctua, ook omdat de vorm van een braakbal van een Kerkuil Tyto alba veel ronder is. Wie het weet en aanvullende informatie heeft laat het ons weten.

Wat is een Braakbal?

Zoals iedereen waarschijnlijk wel weet produceren uilen af en toe een braakbal. Uilen hebben geen tanden. Ze slikken hun prooi in een keer in. De haren en botjes van hun prooi kunnen niet verteerd worden en worden daarom uitgebraakt. Dit zijn de zogenaamde uilenballen. Maar er zijn nog meer vogelsoorten die braakballen produceren.

braakballen poster
braakballen poster

Braakballen bevatten allerlei onverteerbare resten van het voedsel dat vogels eten.

Om de zoveel tijd, dit is sterk afhankelijk van de vogelsoort en het voedsel, wordt er een braakbal gevormd die op een gegeven ogenblik uitgespuugd wordt. De inhoud van een braakbal is geheel afhankelijk van het gegeten voedsel. Een uil eet vooral muizen, dus zullen daar haren en botjes (ook schedeltjes en kaakjes) van inzitten. Ook kunnen er andere 'harde' lichaamsdelen zoals nagels of snaveldelen van vogeltjes in zitten. Soms worden er ook ringen van kleine vogeltjes in een braakbal gevonden. Er zijn ook vogels die insecten eten. Dan zullen we de harde dekschildresten in hun braakbal aantreffen.

Zoals op de (geleende) poster te zien is; zijn er meerdere vogelsoorten die een braakbal produceren. Je zou kunnen zeggen dat onverteerbaar voedselresten uitgespuugd worden door de vogels. Dat kunnen bij Roofvogels en Uilen; haren, botjes etc. zijn. Bij viseters b.v. reigerachtigen; graten en schubben en dergelijke zijn. Ook van de Grauwe klauwier en Klapeksters is bekend dat zij de dekschilden van kevers en onverteerbare delen van prooien b.v. Kikkers en Hagedissen uitspugen.

Kraaiachtigen produceren een kleine braakbal -je zou het bijna niet zeggen- maar ze eten vruchten. De braakbal lijkt op een balletje van twee centimeter doorsnede. Bestaande uit pitjes van bessen of bramen. De kraai blijkt dus ook een vruchteneter en niet alleen een rover van jonge vogels.

IJsvogels produceren ook braakballen. Deze bestaan uit visgraatjes en kunnen zo'n drie cm lang en één cm dik zijn, met een nagenoeg witte kleur. Je zou zeggen dat zo'n klein vogeltje toch flink last moet hebben van dit steeds terugkerende braken.

De braakballen van ijsvogels worden overigens maar zelden gevonden omdat de vogel graag op een tak boven het water mag zitten. De braakbal verdwijnt vaak in het water.

Op de website van het IVN-Geysteren is een overzicht van braakballen gegeven van diverse Vogelsoorten, klik op de link:

https://www.ivn-geysteren-venray.nl/Lezing%20Braakballen.htm

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.