Zaterdag 20 juli 2024

In alle opzichten vakantietijd: Windstil, geen zaterdagse klussers in de wijk, weinig verkeersgeluid, blauwe lucht, veel zon. Vannacht was warm en vandaag gaat heet worden. We gaan dus niet veel doen, dat zou niet gezond zijn. Ik loop met Onderzoeker Will de vogeltelronde mee. Zelfs de vogels lijken met vakantie. Een paar rietstengels bewegen, dan weer een paar andere, iets verderop. Even later zien we de dader: een Kleine karekiet, druk bezig met voedsel verzamelen. Daarna komt een tweede in beeld. Zodra ze de bek vol hebben vliegen ze weg. Zouden ze hun jongen voeren of hebben ze een Koekoek in het nest?

Reeën willen niet op de foto

Terug bij de container drinken we koffie. Rinus komt binnen en we bekijken wat we gaan doen. Buiten het controleren van de noordelijke poel op amfibieën kan er altijd aan de buitenhaag worden geknipt. Het enige stuk natuurtuin dat we strak houden voor een mooie overgang tussen de wijk en de wildere natuur. Rinus neemt die taak op zich. Ondertussen komen twee leden van een fotoclub binnen. De fotografen lopen een ronde door de natuurtuin en zijn op zoek naar reeën. Die laten zich vandaag niet zien en ze gaan verderop in De Bundertjes zoeken.

Rare poel

Wanneer de fotografen vertrekken, komt Fanny binnen. Ze volgt een natuurcursus en is bij de amfibieën aangeland. Op de website staat een stukje over ons RAVON onderzoek en ze wil graag meekijken. Begin april hebben we alle drie de poelen onderzocht op volwassen amfibieën, eigenlijk vooral salamanders. Nu in juli lopen we de poelen opnieuw na en zoeken de larven. Vorige week hebben we in de zuidelijke poel en grote poel gezocht. Vandaag testen we de noordelijke poel. De noordelijke poel is de raarste poel die we hebben. Hij is niet groot en ligt grotendeels in de schaduw van eiken en wilgen. Op de bodem ligt een dikke laag organisch materiaal te rotten. Bij regenweer loopt hij opvallend snel vol en in droge periodes snel leeg. De poel wordt ook gevoed door kwelwater met een hoog ijzergehalte. Schaduw, bladafval, vaak droogvallen (behalve dit jaar natuurlijk), op papier is het een slechte poel voor het waterleven. Toch vinden we er vaak allerhande diertjes. Dit voorjaar ook nog een aantal amfibieën. Andere keren lijkt er niet veel in te zitten.

Magere vangst

Vandaag is dat ook zo. Met het waadpak aan, schep ik vanuit de poel door de oeverbegroeiing en vang niets. Nou ja, wat ruggenzwemmers, watervlooien en een enkele waterroofkever. Pas in het laatste stukje oever, waar een beetje zonlicht komt, vang ik een paar salamanderlarven. Twee van de Kleine watersalamander en twee van de Alpenwatersalamander. Na een half uurtje besluiten we voor de aardigheid nog een testje te doen aan de oostoever van de grote poel. De oever is daar ondiep, dicht begroeid en de opkomende zon kan er snel bij. Salamander(larven) voelen zich daar prima thuis. Ook deze ochtend. Met een paar keer scheppen met het netje hebben we acht Alpenwatersalamanders en een Kleine watersalamander in de bak zitten. Een enorm verschil met de noordelijke poel, vooral door een meer open omgeving (weinig schaduw en bladafval). Tevreden met het geleerde drinken we nog een keer koffie bij de container. Het is na elf uur, Fanny en Rinus gaan naar huis. Ik loop met Onderzoeker Will nog een laatste ronde. Dat wordt geen uitvoerige expeditie, de temperatuur begint snel op te lopen en uit de wind is het benauwd. Moe, maar tevreden over de ochtend sluiten we af. We gaan naar huis, verkoeling zoeken.


Zaterdag 13 juli 2024

Herfstig, wolken, winderig en een graad of 16. Even dreigt regen, maar meer dan wat verwaaide druppels wordt het niet. Vandaag beginnen we met deel twee van het amfibieënonderzoek. In het voorjaar hebben we in drie poelen fuiken uitgezet en een dag later de vangsten geteld. Nu, een paar maanden later, zoeken we naar de nakomelingen van de salamanders die we toen vingen. We werken met een schepnetje. Voor we beginnen loop ik mee met Onderzoeker Will op zijn vogeltelronde. Bij de noordelijke poel zie ik ze weer. Geen tijd verliezen, camera richten en knip. Dan zijn ze tussen het groen verdwenen. Twee kleine reeën die zich afvagen wat wij daar doen. Eerder vanochtend waren ze me te vlug af. Nu heb ik in ieder geval een vage foto van het duo.

Amfibieënonderzoek

Ons eerste veldlabo komt bij Tinekes bankje, dicht bij de Oostoever van de grote poel. Onderzoeker Will verwacht daar veel van. Tijdens een van de schoolexcursies was de houten brug door hoog water onbereikbaar. Toen hebben de kinderen hier veel gevangen. Wij vandaag ook. Met vijf keer scheppen, haal ik negentien larven op. Even later verhuizen naar de houten brug. Ook hier scheppen we vijf keer. Hier iets minder larven, dertien stuks. Alles bij elkaar: 24 Kleine watersalamanders en 18 Alpenwatersalamanders.

Raadsel bij zuidelijke poel

Intussen is Pieter erbij gekomen en gezamenlijk trekken we naar de zuidelijke poel. Daar wacht ons een verrassing: Hier vang we geen enkele larve. In het voorjaar zaten hier evenveel salamanders als in de grote poel. Het raadsel is snel opgelost. De twee afgegraven stukken in de zuidelijke strook staan sinds september vorig jaar onder water. Het zijn ondiepe, snel opwarmende poeltjes. Waarschijnlijk hebben de salamanders uit de zuidelijke poel hier eitjes afgezet. Ik schep vijf keer in een poeltje en heb zes salamanderlarven en drie kikkerlarven gevangen. Allemaal Kleine watersalamanders. Raar dat er geen larven van Alpenwatersalamanders tussen zitten. Dit voorjaar zagen we hier volwassenen genoeg.

Hogere temperatuur, meer insecten

Eind van de ochtend komt oud-voorzitter Kees binnengewandeld. Het werk op de Stippelberg (nog geen tien kilometer verderop) is stopgezet vanwege stortbuien. Kees heeft vlaai bij zich en nadat we die hebben opgemaakt loop ik met Onderzoeker Will nog een ronde. Het begint op te warmen en we zien meteen meer insecten. Een Bont zandoogje warmt op in het korte gras van de zuidelijke strook. Kleine sprinkhaantjes (Spitskopjes) doen hetzelfde op de bramen. Bij de knotwilgen zet een Bruin zandoogje eitjes af in het gras. Ze heeft veel meegemaakt en ziet er gehavend uit. Terug bij de container treffen we Pieter en Rinus. Het loopt al tegen een uur en we ruimen de spullen op. Volgende week testen we de kleine noordelijke poel.


Zaterdag 6 juli 2024

Dat valt mee. Het heeft flink geregend, maar Helmond is er goed vanaf gekomen. De natuurtuin is droger geworden. Toch bestaan de graspaden voornamelijk uit modder en staan de lage graslandjes nog steeds blank. Wel kunnen de planken van de paden en alleen de laagste paden staat nog echt onder water. Er wordt regen verwacht, maar ook vandaag krijgen we hier niet veel van mee.

Mieren op het dak

Rinus gaat verder met het herstelwerk aan de paden. Ik zet de ladder tegen het insectenlab en prik loszittende randen van de dakfolie vast. De folie houdt het dak waterdicht. Er liggen tegels op als ballast. Onder een van de tegels blijkt een mierennest te zitten. Ik verstoor de kraamkamer en zie tientallen mieren die met cocons aan het sjouwen gaan. Ik had hier op het dak geen mierennest verwacht. Toch is het een slimme plek. Hoog en droog, veilig voor verstoring. Behalve wanneer iemand besluit hier te gaan rommelen. Ik zie wel eens mieren rondscharrelen in het insectenlab. Vooral bij de gaten die door Ranonkelbijen en Tronkenbijen worden gebruikt. Slordige beestjes, die vaak stuifmeel morsen en rondom hun afgesloten nesten is het hout vaak doorweekt met zoetige vloeistof.

De ene Hypericum is de andere Hypericum niet

Pieter komt binnengewandeld. Hij is net met pensioen en geïnteresseerd in de natuurtuin. We kletsen wat over ons werk in de natuurtuin en wat hij zou kunnen doen. We spreken af dat hij volgende week terugkomt, wanneer we deel twee van ons amfibieënonderzoek gaan doen. Terwijl we bij de houten brug staan, komen vader en zoon met een meegebracht netje beestjes scheppen. Ze zijn eerder geweest en vangen vrij snel een salamanderlarve, bootsmannetjes en later nog kikkerlarven. Wanneer Pieter weg is, gaat Onderzoeker Will verder met zijn insectennet, Rinus met de paden en ik pak de flora’s erbij om een Hypericum op naam te brengen. Hypericums zijn mooie geel bloeiende planten. Sint-janskruid is de bekendste, maar er zijn andere soorten die daar veel op lijken. Terwijl ik de details op de foto probeer te krijgen, hoor ik achter mijn rug dat er meer bezoekers een rondje lopen. Nu de paden wat opdrogen kan dat natuurlijk weer. De plant die ik bekijk, lijkt het meest op de beschrijving van Kantig hertshooi. Ik ben benieuwd of Waarneming.nl dat ook vindt.

Muurpeper

Bij de container staat Kees van de zwerfafvalploeg te praten met Onderzoeker Will. De maandelijkse opruimronde zit er weer op en het dreigt te gaan regenen. Een wandelaar wijst ons op het mooi bloeiende dak van de container. Inderdaad staat de Muurpeper uitbundig geel te bloeien. Een vrolijke zomerhoed op het bescheiden gebouwtje. Rinus komt aan met nog een groepje wandelaars en zo wordt het ineens een drukke zaterdagochtend. Voorzien van informatie en folders vertrekt het gezelschap weer. De zwerfafvalploeg rust bij de container en ik loop met Rinus en Onderzoeker Will nog een ronde. Het is de hele ochtend warm en we zien wat vlinders en libellen. Niet veel, maar in deze tijd zijn we snel tevreden.

Kerspruim, Grote wederik en Gewone slobkousbij

Bij het insectenlab staat een Kerspruim. De struik is nauw verwant aan de bekendere Sleedoorn. De Kerspruim is hier elk jaar de eerste struik die in bloei staat. Zo vroeg, dat er nauwelijks bestuivers zijn die de witte bloemen bezoeken. In andere jaren zie ik soms een of twee vruchten, meestal geen enkele. Nu hangen er tientallen gele “kerspruimen” aan de takken. Blijkbaar is dit voorjaar een bijtje extra vroeg uit winterslaap gekomen. Dat valt extra op omdat we dit jaar juist zo weinig insecten zien. Verderop staat de Grote wederik in bloei. Op een van de bloemen zie ik een kleine bij, verstijfd door onderkoeling. Ik laat Obsidentify kijken en die bevestigt wat ik al dacht: het is een Gewone slobkousbij. Heel gewoon is deze wilde bij niet. Het is de enige bijensoort die gespecialiseerd is op Wederik. Die plant geeft namelijk geen nectar, maar scheidt een soort olie af. De Gewone slobkousbij verzamelt die en verwerkt een mengsel van stuifmeel en olie in haar nesten. Deze bij is hier dus alleen omdat er Grote wederik staat. Haar nesten maakt ze in de bodem. Dat zal in deze natte tijd ook niet meevallen.

Vogelkersstippelmot en spookbomen

Wat verder zie ik alweer Vogelkerstippelmotjes. Dit keer twee die aan het paren zijn. De rupsen van deze motjes zijn bekender dan de volwassen imago’s. Om de paar jaar komen ze massaal uit op Vogelkersen die ze dan helemaal inspinnen om zich collectief te beschermen tegen rupseneters. Wie weet zijn de motjes die ik de laatste tijd zie een voorteken dat we over een tijdje weer spookbomen zien. Op de lage graslandjes wijs ik op het Ruw walstro. Ondanks, of dankzij de nattigheid doet deze plant het erg goed. Onderzoeker Will maakt een foto voor Obsidentify en die vindt dat het op een Moeraswalstro lijkt. Die twee planten lijken veel op elkaar en ik besluit om volgende week de zaak met loep en flora nog eens te bekijken. We zijn het wel eens dat de piepkleine witte bloempjes heel lekker ruiken.